Het lezen ging deze maand een beetje trager, maar daar is een goede reden voor. Ik ben iemand die verschillende boeken door elkaar leest en dat waren nu toevallig allemaal redelijke kleppers. Dan Brown schoot met zijn bijna 800 pagina’s tellende Het ultieme geheim de hoofdvogel af.
Na twaalf jaar is Robert Langdon terug en hij heeft de liefde gevonden. Hij reist samen met noëtisch wetenschapper Katherine Solomon naar Praag omdat ze daar een lezing zal geven over het menselijke bewustzijn. Het is ook het moment waarop haar boek, waar ze een jaar in het grootste geheim aan gewerkt heeft, bij haar uitgever belandt. De ochtend na haar presentatie komt Langdon in een spectaculaire rollercoaster terecht. Katherine is verdwenen en ook van haar manuscript is geen spoor terug te vinden. Voeg hier een vermoorde wetenschapper, een mythische golem en een klopjacht van de CIA aan toe en je weet waar je aan begint.
Vanaf de eerste bladzijde spat de actie uit het boek. Het is haast niet te geloven dat die zevenhonderdenzoveel bladzijden zich allemaal op één dag afspelen. In die dag doorkruis je ook nog eens heel Praag. De enige momenten waarop Brown op de rem gaat staan, is als hij de theorieën uit de doeken doet waar het in Katherines boek om draait. Aan wetenschap heb ik altijd al een broertje dood gehad, dus voor mij waren dat soms pittige hoofdstukken om te doorworstelen. Zeker ook omdat Brown de neiging heeft in herhaling te vallen. Begrijp me niet verkeerd: de thematiek waar het in het boek om draait – het menselijke bewustzijn en het al dan niet loskoppelen van lichaam en geest – is uiterst boeiend en Brown weet het zo te brengen dat je het haast zou gaan geloven. Maar ik ben nu eenmaal een grotere fan van de geschiedenis en de symboliek uit De Da Vinci Code en Het Bernini Mysterie.
Dan Brown nam me weer mee op reis. Ik was al eens in Praag en hij weet de stad zo goed te beschrijven dat ik het na tien jaar nog altijd levendig voor me zag. En de dingen die we tijdens onze trip overgelaten hebben, die staan nu met stip op mijn reiswensenlijst. Mijn geschiendenishart gaat ook altijd sneller kloppen als hij me op achtergrondverhalen trakteert. En hoewel ik totaal geen wintermens ben, maakte Dan Brown me zelfs nieuwsgierig naar een Praag in de sneeuw.
Naast de spanning en de spitse dialogen zit er ook behoorlijk wat humor in het boek. En wat nog leuker is: af en toe knipoogt Brown naar zijn lezers met een stiekeme verwijzing naar een vorig boek of personen die echt bestaan. Zo heeft de redacteur van Katherine Solomon en Robert Langdon toevallig dezelfde naam als zijn eigen redacteur en komt ook de naam van de Amerikaanse ambassadeur niet uit de lucht vallen. En het is ook nog eens heel interessant om te lezen hoe het er in de grootste uitgeverij van de VS aan toegaat.
Het heeft dus met mijn persoonlijke voorkeuren te maken dat dit boek voor mij niet kan tippen aan zijn twee grootste voorgangers. Maar het blijft een Dan Brown en dat staat nog altijd synoniem voor een trip die je de wereld om je heen helemaal doet vergeten. Voor je het doorhebt, ben je halverwege het boek (en geef toe, in de gewone wereld zou je dan eigenlijk al een heel boek gelezen hebben 😉). Brown bewees eerder al dat hij historische en wetenschappelijke thrillers kan schrijven. Hij kan vanaf nu de term sciencefictionthriller aan dat lijstje toevoegen.
Het ultieme geheim | Dan Brown | Uitg. Luitingh-Sijthoff (2025) | 768 pp. | Vert. uit het Engels door Erica Feberwee en Yolande Ligterink
Met dank aan de uitgeverij voor het recensie-exemplaar.


Geef een reactie